Oh Gambia
Bij het krieken van de dag ga ik eerst alle planten en mijn moestuintje water geven. Zodra de
zon schijnt, heeft dat geen zin meer. Het water verdampt voordat het de grond in kan zakken.
Ik ben in het gelukkig bezit van een wasmachine. Maar die wast niet echt schoon. Met al die
stroomonderbrekingen en het sowieso zwakke stroomnet draait ie sloom in het rond en doe ik
vaak de was op de hand. Achter het huis heb ik vele waslijnen hangen en als ik de laatste
handdoek ophang, kan ik letterlijk aan de voorkant de eerste jeans alweer droog opvouwen.
Wauw!
���� doet zijn werk.
Inmiddels is Mariama, mijn hulp, gearriveerd. Ze vraagt of ze thee mag zetten, want ze gaat
eerst ontbijten. Daarna start ze met haar bezigheden. Letterlijk alles wordt schoongemaakt met
een sopje van opgelost waspoeder…. Hahaha echt waar.
Als laatste dweilt zij de vloer. Volgens mij zijn de tegels die er liggen wandtegels, want ze zijn,
eenmaal nat, spekglad. Ik heb geen idee hoe zij daar met haar blote voetjes over kan lopen. Zij
kijkt mij aan als ik door de kamer struikel en in een halve spagaat de keuken bereik.
Ze lacht heel wat af met (om) mij.
Ze heeft een klein meisje bij zich. Je weet nooit wie en hoeveel kinderen er mee komen. Maar
er komen altijd neefjes en nichtjes mee. Of een buurkindje. De één is nog mooier dan de ander.
Wat een fantastische smoeltjes. En het haar van die meisjes. Zo kunstig gevlochten met een
zigzag patroon over het hoofd. Gambiaanse kinderen zijn ook niet bang of verlegen, als ik de
poort open, rennen er gewoon een paar de tuin in.
Als Mariama klaar is en ik haar vraag of ze nog naar school moet vanmiddag of huiswerk
maken, antwoordt zij ontkennend. ‘Ga je dan mee naar het strand?’ vraag ik. Een stralende lach
is het antwoord. Samen vertrekken wij en zij? Zij is op dat moment de gelukkigste vrouw op
aarde, want ze weet dat er een lunch in het verschiet ligt. Mariama gaat zich eerst omkleden om
daarna, gehuld in een prachtig jurkje, onze stoffige straat uit te flaneren. Mariama; the queen of
my street.